Grenzen stellen

Dit is een speciale blog, namelijk mijn 100ste sinds dat ik ben begonnen in november 2014. Het is ook mijn tweede blog van het nieuwe jaar en met het nieuwe jaar is er tijd om te reflecteren over wat er recent is gebeurd en wat er dit nieuwe jaar gaat gebeuren. Als het aan mij lag, heet 2016 het jaar waarin we grenzen stellen.

Inleiding

Grenzen stellen, de titel van deze blog (ik zou het zelfs essay noemen), ontleen ik aan het gelijknamige colloquium dat Vlaams Belang organiseerde. Het colloquium ging vooral over de EU en diens gebrek aan grenzen. Ik ga deze woordcombinatie verbreden en verdiepen tot iets dat overduidelijk niet alleen in zijn letterlijke context maar ook figuurlijk noodzakelijk is tot functionering van onze maatschappij.

Grenzen stellen is geen holle slagzin, het is dat kenmerkend is voor de mens. De mens kan niet anders dan zijn leefwereld in hokjes verdelen. Het zorgt voor orde en structuur die elke mens nodig heeft om te kunnen functioneren. Bij het categoriseren van onze leefwereld stuit de mens op twee fenomenen.

De eerste zijn discrete fenomenen. Deze zijn makkelijk te categoriseren. Oude televisies kenden maar twee kleuren: zwart of wit. Programmeertaal kent enkel 0 en 1. Het tweede fenomeen is wat overeenkomt met de werkelijkheid, continue fenomenen, een graduele overgang van de ene naar de andere. Tussen zwart en wit zitten vele tinten grijs. Tussen 0 en 1 zit ook 0.1, 0.2, ...

Als men dan een categorie heeft bedacht, is de volgende vraag: wat is de grens? Is de grens hier of daar? Na veel redeneren, legt men de grens. Maar wat als men in de toekomst de grens wil verleggen? Dan kan men ofwel de andere laten betijen of men speelt kort op de bal, men gaat grenzen stellen.

Enkel een persoon die getiranniseerd wordt door zijn discontinue geest, hecht belang aan grenzen of categorieën, stelde evolutiebioloog Richard Dawkins vier jaar geleden. Als het nu gaat om armoede of evolutie, ga mee op het continue pad en besef hoe ridicuul het concept armoedegrens of soort is.

Hij heeft een punt. Als de veranderingen maar klein en gradueel genoeg zijn, merkt het brein hier niets van. Veranderingsblindheid noemt men dit. Veranderingsblindheid is in de eerste plaats een resolutieprobleem. In plaats van mee te gaan op het continue pad, sluit gewoon de ogen, wandel over het pad en doe ze pas op het eind open. Kijk dan achterom en trek een grens.

Dit is geen tirannie maar de menselijke natuur zoals ze is. Mensen willen rigoureus categoriseren, mensen willen orde en structuur brengen in de wereld. Mensen willen grenzen stellen.

Grenzen stellen aan territorialiteit

Misschien het bekendste voorbeeld van een continue fenomeen dat in een hokje wordt geduwd is de grens van een gemeente, stad, regio, land of continent.

Als nieuwjaarsbrief vroeg Bart De Wever als big boss van het Schoon Verdiep aan buurgemeenten om te kunnen fusioneren tot één Groot-Antwerpen. Bart De Wever redeneert hier vanuit een strikt economisch gegeven van schaalvergroting, samen met een schuldenovername door de Vlaamse regering. Uitgerekend een gemeenschapspartij als N-VA pleit dus voor boekhouderlogica, tegen de wil van de lokale bewoners.

Mensen geraken namelijk gehecht aan de categorie waartoe ze behoren, in dit geval gebaseerd op territorialiteit. Men onttrekt hier zelfs een identiteit aan, geholpen door de taal, cultuur of geschiedenis. Deze categorie kan een continent zijn, een land, een regio, een provincie, een stad of gemeente, een district of deelgemeente, een wijk of een buurt, zelfs maar een straat. Het geeft de mensen het gevoel: "Dit is mijn thuis."

Die categorie kan enkel bestaan als deze begrensd is. Die grens is eerder arbitrair. Het kan gewoon zijn dat op een weg de ene kant aan gemeente A behoort en de andere kant aan gemeente B. Voelt men dat men in een andere gemeente zit als men de straat oversteekt? Natuurlijk niet. Daarvoor moet men dieper in de gemeente gaan. Dan merkt men wel dat men in een andere gemeente zit.

Hoe arbitrair ook, mensen zijn geen voorstander van grenzen verleggen. Ze zijn geen voorstander van fusies voor administratieve redenen. Dit wordt als een (terechte) aanval aangevoeld door de lokale bewoners. Toen Bart De Wever zijn oproep deed, ging niemand hier op in (buiten nota bene een partijgenoot-burgemeester die duidelijk njet zei). Geen enkele randgemeente wilt dus opgezogen worden in het zwarte gat Antwerpen en hun eigen identiteit verliezen in de metropool.

In het geval van deze randgemeenten is dit al aan de gang. De verstedelijking rukt op, en of de randgemeenten willen of niet, ze groeien naar elkaar toe. De grens tussen stad en rand wordt waziger. En toch blijft men grenzen stellen: dit is mijn gemeente en niet 't Stad.

Grenzen stellen aan mobiliteit

Als men dan zo'n lapje grond heeft begrensd en een land heeft genoemd, is de volgende taak kijken wie er zoal over die grens gaat. Een land waar iedereen zomaar over kan is geen land.

Na de aanvallen in Parijs was het duidelijk dat controle over de grenzen nodig is. De terroristen hadden geen enkel probleem om de grens over te steken. Zelfs de Europese buitengrens is zo lek als een zeef door de vluchtelingengolf. Het water klotst dus door Europa tot het aan de lippen staat van de bevolking. "Schengen is dood" zei ex-president Sarkozy in Antwerpen. De droom van een vrij verkeer van mensen is voorbij.

Een grens in een territoriale context is in de eerste plaats geen fysieke grens. Het is een culturele grens. Landen bevatten mensen die cultureel redelijk homogeen zijn. Buurlanden bevatten mensen die op hun beurt cultureel homogeen zijn maar lichtelijk verschillen in de inhoud van hun cultuur met hun buurlanden. Een continent zoals Europa is in wezen een continuüm van culturen die het continent verscheiden en uniek maakt.

Als men dan toch de fysieke grens wilt opheffen, kunnen in theorie de wateren van elke cultuur met de anderen vermengen en zo een nieuwe "Europese cultuur" vormen. Dit is (al geluk!) niet gebeurd, de meeste Europeanen zijn honkvast en gaan alleen in nood naar andere landen. De opheffing van de grenzen is bijgevolg enkel echt voordelig voor arme landen (Zuid- en Oost-Europa) met alle gevolgen van dien (sociale dumping maar ook criminaliteit). Cultureel gezien is dit nog geen ramp, Europeanen kunnen vrij goed integreren en gemengde huwelijken zijn legio. Al na één generatie merk je hier niets van.

Het probleem ligt in de zeer deviante culturenpoel die de islamitische cultuur heet. Net als Europa is deze binnenin vrij homogeen maar verschilt deze enorm met Europa. Als de dam breekt (moedwillig door een paar multicul kosmopolieten en kapitalistische globalisten) dan spoelt een vijandige cultuur over Europa. Zonder mogelijkheid tot vermenging begint deze cultuur zich uit te zetten, te expanderen totdat ofwel zij overwint ofwel de inheemse cultuur deze terug over zijn grens duwt.

De aanslagen van Charlie Hebdo van nog maar pas een jaar geleden en de massa-aanranding in Keulen zijn een teken aan de wand dat de inheemse cultuur aan de verliezende kant staat. Het is dan ook noodzakelijk dat de grens weer een echte grens wordt en nog verdere nefaste invloed van de islam ingedijkt wordt.

Grenzen stellen aan soevereiniteit en autoriteit

Grenzen gaan niet alleen over de omlijning of beschrijving van de categorie maar ook door de handhaving van die omlijning of beschrijving ervan. Het is dan ook essentieel dat die handhaving niet uit handen gegeven wordt. Categorieën moeten zelf kunnen beslissen over hun eigen inhoud, zonder dat een grotere categorie waar zij onderdeel van zijn, autoritair dingen afdwingen.

De EU tast de soevereiniteit van elke natiestaat aan en meet zichzelf een niet-gelegitimeerde autoriteit aan. Die autoriteit verloor de EU door gemaakte afspraken niet na te leven, zoals het verdrag van Schengen en het Dublin-akkoord. De fysieke binnengrenzen werden opgeheven, de mobiliteit de vrije loop laten gaan en in ruil daarvoor werden de buitengrenzen streng bewaakt. Dit gebeurde niet. Asielzoekers gingen opgevangen worden aan de buitengrenzen maar dit gebeurde niet.

Het moeilijke aan de discussie is dat de EU ook een economische unie is. Lidstaten zijn door de euro onderling afhankelijk. Een paar rotte appels (Zuid-Europa) kan de rest meesleuren in hun ondergang. Dit leidt tot eindeloze leningen, schuldverschuivingen of zelfs kwijtscheldingen. Dit leidt ook tot de begrotingsunie, weer een vehikel dat (noodzakelijk?) de soevereiniteit van lidstaten beperkt.

Dus ook al zou een ideale wereld de interne soevereiniteit van elke begrensde categorie onbegrensd zijn zonder externe autoriteit, in realiteit zijn zowel soevereiniteit en autoriteit begrensd en in een constant getouwtrek. Voorlopig zijn de voorstanders van een "Verenigde Staten van Europa" de balans in de richting van autoriteit aan het trekken. De eurosceptische tegenstanders hebben daarentegen wind in de zeilen en trekken terug naar de soevereiniteit. Wie wint is voorlopig koffiedik kijken.

Grenzen stellen aan egaliteit

Als men categorieën heeft bepaald en deze heeft begrensd, zijn er altijd progressieven die deze omver willen werpen. Deze zijn zeer geagiteerd als deze categorieën over groepen van mensen gaan. Dit gaat dan over zaken zoals geslacht, klasse, cultuur, religie en onvermijdelijk etniciteit en ras. Alle mensen zijn gelijk is het credo. Discrimineren is een doodzonde, erger dan aanranding (zie Keulen). Niet culturaliseren, niet generaliseren, niet stigmatiseren zijn de progressieve bezweerformules.

Ik spreek dit allen ten stelligste tegen. Mensen zijn niet gelijk, mensen kunnen wel degelijk in begrensde categorieën worden gestoken. Dit is nu eenmaal de consequentie van diversiteit, noch zo'n bezweringsformule van links. Een échte diverse samenleving omarmt de verschillen tussen mensen, accepteert deze, tolereert deze en in sommige zaken verwerpt deze verschillen. Dit is afhankelijk van de comptabiliteit van deze verschillende zaken met de dominante stroming.

Dit vraagt een case-by-case aanpak. Voor sommige zaken zijn de verschillen niet van belang en is een gelijkwaardige behandeling prioritair. Voor sommige zaken kan men niet anders dan handelen naar deze verschillen. Het onderscheiden en anders behandelen van mensen is door links gecriminaliseerd maar is volstrekt een rechtvaardig concept.

Links heeft dit gezond verstand jarenlang genegeerd. Gelijkheid is een dogma geworden en de fixatie op ongelijkheid een fetisj. Ongelijkheid moest en zal uitgeroeid worden want tegenstrijdig met het dogma. Vindt men een ongelijkheid dan zoekt men achter een complot. De samenleving zou inherent seksistisch, racistisch of andere -istisch zijn.

Een mooi voorbeeld is de zogenaamde "Noorse paradox". Noorwegen is het land waar de gelijkheid tussen de geslachten het grootst is. En toch zijn er nog altijd grote verschillen tussen de seksen. De overgrote meerderheid van de ingenieurs zijn mannen, de overgrote meerderheid van de verpleegkundigen zijn vrouwen. De linkse, constructivistische theorie (eigenlijk ideologie) is dat de samenleving onbewust jongens en meisjes in die richtingen sturen. Het axioma erachter is een fundamentalistisch egalitarisme, dat er totaal geen verschillen zijn tussen seksen buiten diegene door de cultuur ingegeven.

De meer biologische, wetenschappelijke verklaring is dat mannen en vrouwen wel degelijk verschillende breinen hebben en verschillende interesses. Mannen denken meer in systemen (ooit al eens een vrouwelijke autist gezien? Daarom!) en vrouwen zijn veel socialer. Constructivisten reageren als gebeten (zie de video in de link hierboven) en uiten zij verdachtmakingen, insinuaties of puur desinteresse in een andere verklaring dan de hunne.

Hetzelfde geldt voor klassenverschillen in termen van educatie. Kinderen van laagopgeleiden stromen minder door naar universiteit omdat ze simpelweg niet de juiste intelligentiegenen hebben overgeërfd van hun ouders. Het excuus van links dat de kinderen gediscrimineerd zijn of erger, dat de ouders hebben gefaald, is totaal niet waar. Meer zelfs, in een maatschappij waar er volledige gelijkheid van kansen is, ziet men dat genetica een beslissende factor wordt juist omdat kinderen puur op basis van de eigen (biologisch bepaalde) interesses hun leven gaan leiden. De echte paradox is dus dat een gelijke samenleving altijd naar meer ongelijkheid leidt, maar dan van de juiste soort.

Veel moeilijker gaat het om culturen en religies. Het postmodernisme en de daaraan gekoppelde cultuurrelativisme en multiculturalisme heeft de geesten van intelligentsia vergiftigd. Alle culturen zijn gelijk, men mag niet oordelen over culturen (want subjectief) en elke cultuur levert een meerwaarde op. Na Keulen stortte dit kaartenhuis (nog eens) in elkaar.

De Verlichting gaf ons juist het tegenovergestelde, het cultuuruniversalisme. Culturen met hun normen en waardensysteem kunnen wel vergeleken worden en daaruit kan men wel objectief conclusies trekken welke cultuur superieur is. Probleem is dan ook dat bepaalde culturen zich superieur beschouwen (zonder dat ze echt zijn) en agressief andere culturen verdrukken of zelfs vernietigen.

De huidige discussie rond islamisering en de massa-aanranding in Keulen kadert in deze clash der culturen. De vluchtelingen en immigranten zijn lid van één welbepaalde cultuur: de islamitische. Deze kenmerkt zich door een normen en waardensysteem die haaks staat op de westerse cultuur. Dit leidt onvermijdelijk tot spanningen en uitspattingen zoals in Keulen.

Het westen dient dan ook te reageren. Er moet erop gehamerd worden wat wij voor staan en wat wij verwachten van nieuwkomers. Inburgeringscursussen hebben enkel zin als er de wil is om bij het nieuwe thuisland te horen en zaken in het land van herkomst te laten. Nieuwkomers die hier arriveren met de impressie dat ze business-as-usual kunnen doen, moeten direct verwijderd worden. Mensenrechten als godsdienstvrijheid mag niet meer misbruikt worden als paraplu om onder te schuilen.

Kortom, we moeten grenzen stellen aan de egaliteit. Mensen zijn nu eenmaal niet gelijk, culturen zijn niet gelijk en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid is natuurlijk en normaal. Diversiteit is een meerwaarde maar heeft ook zijn grenzen.

Grenzen stellen aan seculariteit en religiositeit

Grenzen stellen gaat niet alleen over discrete categorieën benoemen en omlijnen maar ook over de grenzen van maatschappelijke zaken. Een specifiek voorbeeld van zulke zaak is hoe religie zich verhoudt tot de scheiding van kerk en staat.

Nieuwbakken aartsbisschop De Kesel kwam al direct in aanvaring met de liberale goegemeente door straffe uitspraken te maken betreffende euthanasie. Straf mag hier toch met een korrel zout genomen worden, terwijl volksvertegenwoordigers schande spraken en De Kesel beschuldigde dat hij de wet overtrad, bleek hij recht in zijn schoenen te staan. Men heeft schoorvoetend toegegeven dat De Kesel niets illegaals deed (alhoewel dit nog steeds betwist wordt).

De discussie centreert voornamelijk of confessionele instellingen zoals een katholiek ziekenhuis, morele keuzes mogen maken. Indien instellingen dat wel doen, dan moeten volgens de radicale liberalen de subsidies van die instelling ingetrokken worden. Het duidt wederom de gespannen verhouding aan tussen radicale liberalen en confessionelen.

In een gezonde samenleving is er ruimte voor confessionele organisaties om, nu ja, confessioneel te zijn. Dit gaat gepaard met confessioneel-geïnspireerde moraal. In een rechtsstaat (ja, die term waarmee radicale liberalen vaak mee schermen) is er ruimte voor die confessionele moraal, een overheid is namelijk neutraal en stelt geen waardeoordeel. Overheden mogen zeker instellingen niet financieel straffen omdat deze niet de moraal volgen van een bepaalde religieuze-ideologische strekking. Het is bizar dat van radicale liberalen een katholieke ziekenhuis niet meer katholiek mag zijn!

Een overheid mag natuurlijk niet té neutraal zijn. Dat is een constructiefout die de liberale democratie al jaren plaagt. In dit geval moet men de grenzen bepalen van wat wij fundamenteel achten (en dus niet onderhandelbaar, zelfs voor religies) en wat Erasmus "adiaphora" noemde, wat hij toen als niet essentieel in de christelijke leer beschouwde, datgene wat onderhandelbaar is. Dit geldt evenzeer voor liberalen: zij moeten uitmaken wat essentieel is en wat niet.

Voor mij is het niet essentieel dat euthanasie moet kunnen voltrokken worden in een confessionele instelling. Euthanasie is geen "recht", het is een mogelijkheid om op een legale manier een mens te doden. Gelijkheid van man en vrouw daarentegen is voor mij essentiëler. Het is dus volstrekt mogelijk om confessionele instellingen niet te erkennen (en dus niet te subsidiëren) als deze de gelijkheid van man en vrouw met de voeten treden (zoals hier wordt gesuggereerd).

Een andere vaak terugkerende discussie is deze rond het hoofddoekenverbod van ambtenaren. Eerder had ik iets soortgelijks besproken. Het hebben van een geloof is niet gelijk aan het etaleren of uitoefenen van dit geloof ten allen tijde en op alle plaatsen. Geloof heeft een plek in de privésfeer in de daarvoor voorbestemde plekken. Neutrale kledij voor ambtenaren en dito verbod op religieuze of ideologische kledij kadert daarin. Het respecteert de sociale orde en de daaruit voortvloeiende rolpatronen en gescheiden identiteiten.

Volgens Bruno De Lille voert de overheid intentieprocessen. De Lille weet duidelijk de klepel niet hangen: het draait niet rond de ambtenaar, maar rond de klant. De klant mag geen intentieproces voeren over de ambtenaar. Neutrale kledij neutraliseert een bron van die intentieprocessen: kledij die bepaalde moraal, ideologie of religie voorstellen. Neutraliteit van overheidspersoneel is voor mij essentieel genoeg zodat dit religieuze voorschriften overtroefd.

Uit deze twee discussies kan geconcludeerd worden dat een seculiere overheid geen secularistische overheid is. Een scheiding van kerk en staat impliceert niet dat overheden geen ruimte mogen laten voor confessionele moraal. Interessanter is een debat over wat fundamenteel is en wat eerder bijzaak is. Ik verwelkom dan ook dit voorstel van Patrick Dewael om zulk debat te houden. Alleen spijtig dat dit enkel een debat tussen juristen en politici gaat worden en niet een publiek debat. Grenzen stellen wat religies mogen doen of niet (of omgekeerd, in hoeverre seculariteit moet afgedwongen moet worden of niet) is in de eerste plaats te bepalen door de hele maatschappij.

Grenzen stellen aan moraliteit en legaliteit

Aaneensluitend met vorige, de overheid is verondersteld neutraal te zijn. Het bestraft niet uitingen van bepaalde meningen, hoe onbeschoft of onfatsoenlijk dat zij ook zijn. Of dat is de theorie, want er zijn wel degelijk meningen die bestraft worden. Eén ervan is negationisme.

Etienne Vermeersch is een zeer erudiet man en durft al eens tegen de schenen schoppen van de moraalpolitici. Hij deed dit onlangs door te suggereren dat negationisme moet kunnen. Sowieso was de titel van het interview minder genuanceerd, Vermeersch vond dat negationisme moest verdwijnen wanneer de laatste overlevenden overleden waren (hij denkt binnen twintig jaar). Dat leek mij een gematigd standpunt dat probeert te schipperen tussen radicale je-suis-Charlie's en dit-past-toch-niet politiek-correcten. Het mocht niet baten want verguisd werd hij toch.

De discussie is hier drieledig. Er is (1) de correctheid van deze mening (waar of niet waar), (2) het moraal van deze mening (afkeuren of niet) en (3) de eruit voortvloeiden consequenties betreffende bestraffing (juridisch, sociaal of niet).

Vrije meningsuiting zou niet misbruikt mogen worden om onwaarheden te verspreiden. Alleen is het zeer moeilijk voor bepaalde zaken om te bepalen of deze waar zijn of niet. Een verbod op het verspreiden van onwaarheden zou ook misbruikt kunnen worden om discussie in de kiem te smoren (bv. klimaatscepticisme). Omdat er nooit zoiets bestaat als de absolute waarheid, zou zelfs iets als de Holocaust onderwerp moeten zijn voor debat. Er zou maar eens feiten kunnen opduiken die het beeld van de Holocaust dienen te corrigeren (bv. men zou het exact aantal doden moeten kunnen onderzoeken). Op basis van de correctheid kan een mening niet echt ingeperkt worden.

Vrije meningsuiting zou zogezegd niet gebruikt mogen worden om mensen te beledigen. De gevoelens van een bepaalde groep mensen is geen reden tot censuur. De Joden zijn een uitzondering op de regel. Negationisme doet vele Joden pijn. In dit zeer specifiek geval kan die eerste redenering gevolgd worden, de Holocaust heeft een zeer grote impact gehad op onze cultuur. We zijn enorm meelevend met het leed van de Joden en omdat dit gedeeltelijk door ons toedoen was, hebben we ook een historische schuld.

Spijtig genoeg maken sommige mensen hier misbruik van. De wet van Godwin bestaat voor een reden. Verwijzingen naar de jaren 30, Hitler, de nazi's, de kampen, de gaskamers, ... zijn legio. Mensen die nog maar een klein beetje geassocieerd zijn met de nazi's (nationalisten) worden met die verwerpelijke ideologie gelijkgesteld. Telkenmale wordt dit opgerakeld. De wet op negationisme is een onderdeel van dat onverwerkt verleden. Tot zolang er dus nog overlevenden zijn, mag deze wet blijven maar erna moet deze wet weg en het hoofdstuk afgesloten worden.

Via vrije meningsuiting kan men moreel verwerpelijke zaken gezegd worden. Negationisme is unaniem een morele halsmisdaad in onze samenleving. En doch, is juridisch bestraffing hier toepasselijk of gewild? Dit doet mij denken aan de rel rond Willem - pijpen en praten gaat (sic) niet samen - Elias. De tegenover vrouwen denigrerende praat van Elias ging erover. Vrije meningsuiting is ook de vrijheid om een ongelikte beer te zijn. Kon men Elias van seksisme beschuldigen en via rechtspraak straffen? Misschien.

Samenlevingen hebben al jaren een methode om diegene die een sociale norm, een sociale wet overtreden, te straffen: reputatieschade en schaamte opwekken. In extremis zoals bij Elias kan dit leiden tot statusverlies (= ontslag). Elke samenleving heeft zijn schaamte: vroeger was dat een scheve schaats rijden nu de isme's (racisme, seksisme en ja negationisme). Het geheugen van de samenleving is soms kort, soms lang. Ongetwijfeld is de sociale straf soms disproportioneel en de hetze totaal erover. Zeker met sociale media kan een uitschuiver leiden tot wereldwijde bekendheid en totale ruïnering van personen. Dit kan dus rechtvaardig zijn in de Dorpsstraat maar niet op Twitter.

Een samenleving moet kunnen straffen, maar met mate en moet ook kunnen vergeven. Soms vrees ik hiervoor, de massa wordt soms opgezweept door moraalridders en weet niet wanneer ze moet ophouden. De wet moet het onderwerp van de volkswoede ook kunnen beschermen: genoeg is genoeg, grenzen stellen is cruciaal.

Grenzen stellen aan radicaliteit

In de discussie van vrije meningsuiting kan men ook de discussie van radicaliteit niet ontwijken. Een democratie kan maar overleven als er grenzen zijn aan wat men kan toelaten. Een democratie moet weerbaar zijn en kan niet tolerant zijn tegenover diegenen die de democratie willen omverwerpen. Vijanden van de democratie (extremisten) worden uitgesloten van het democratisch spel. Maar wat met radicalen?

De essentie van die vraag gaat over de periferie van het politiek spectrum en hoe ver deze reikt. Voor mij is het duidelijk: het politiek spectrum gaat van centrum tot radicaal. De grens tussen radicaal en extremistisch is dun en voor sommigen is dit één pot nat. Dat dit geen sinecure is, bewijst het jarenlang goochelen met termen als extreem, uiterst of radicaal.

De zaak wordt nog gecompliceerder omdat gevestigde partijen baat hebben bij het framen van opponenten als extremistisch. Een mooi voorbeeld van deze framing was de ellenlange discussie in Doorbraak tussen Peter De Roover en Jean-Pierre Rondas. Die laatste pikte de gratuite definitie van extremisme van De Roover niet. De enige Waarheid in pacht hebben is al extremistisch maar mag men van De Roover nog een overtuiging hebben? Niet willen samenwerken is extremistisch maar is dit niet tweerichtingsverkeer? Eenvoudige oplossingen voorstellen is extremistisch maar maakt een compromis niet juist oplossingen moeilijker dan dat ze in werkelijkheid zijn? De definities van De Roover brengen geen meerwaarde aan deze discussie.

Begripsvervuiling is ook nog zo'n probleem. Radicalisering van moslims is een hot topic. Maar is "radicaal" wel een gepast woord? Het gedachtegoed van islamradicalen staan zo haaks op de democratie dat "extremisering" veel gepaster is. Zelfs radicalen als salafisten zijn in werkelijkheid extremisten, zoals bv. Omar. Het lijkt erop dat de term radicalisering is gekozen omdat dit het probleem verzacht, extremisering is te stigmatiserend en criminaliserend. De framing heeft wel ervoor gezorgd dat niemand zich nog radicaal durft te noemen.

Ik zal toch maar eens een poging ondernemen. Een radicaal is voor mij iemand die volledig binnen het kader van de democratie werkt. Dit kader gaat niet alleen over elementair respect voor de gelijkheden en vrijheden van de rechtstaat maar ook over de stijl van diens retoriek. Men kan in een democratie perfect kritisch staan tegenover bv. homo's en het is begrijpelijk dat dit als radicaal wordt aanzien. Elke holebikritische radicaal moet wel accepteren dat mensen vrij zijn in hun seksuele geaardheid en die kritiek mag nooit gecamoufleerd worden als homohaat.

Haatzaaien is een vaak gehoorde grens en op zich ben ik daar mee eens dat dit onderdeel is van de grens. Het probleem is dat haatzaaien een drogreden is van het establishment om radicalen de mond te snoeren. Want wat is haat? Is islam bekritiseren het zaaien van haat tegenover moslims? Natuurlijk niet. Gaat het dan over stijl? Is de Koran "license to kill" noemen haatzaaien? Of is, zoals ik al schreef, de Koran vergelijken met HIV haatzaaien? Zonder context en verpakt als oneliner ben ik geneigd ja te antwoorden.

Ik vind dit nog altijd een goede analogie om het proces van radicalisering/extremisering te duiden. Er zijn vele moslims in de wereld. Niet alle moslims hebben ooit een Koran opengedaan en deze van achter naar voren gelezen. Deze moslims kennen maar enkele verzen (natuurlijk enkel de goeden), zijn niet obsessief bezig met religieuze voorschriften en kunnen we eigenlijk als "liberaal" bestempelen. Ooit gaat toch de moment komen dat zij worstelen met existentiële vragen. Zij kunnen dan in interactie gaan met andere (bevriende) moslims en die geven antwoorden. Antwoorden die radicaal kunnen zijn. Antwoorden gebaseerd op een letterlijke lezing van de Koran.

Vanaf dat punt is die liberale moslim geïnfecteerd door de Koran-HIV. Het kan zijn dat de Koran-HIV nooit ontwikkeld tot een ziektebeeld. Niet elke moslim is even vatbaar. Het kan ook zijn dat de Koran-HIV de immuuncellen gaan aanvallen. De eerste immuuncel die sneuvelt is de gematigdheid. De "liberale" moslim wordt conservatiever in zijn doxie en praxis. Hij begint een lange baard te groeien, zij draagt een hoofddoek of niqab. Vervolgens kan de volgende immuuncel bezwijken: de tolerantie. Andersgelovigen, andersgeaarden, andersgeslachten, al wie anders is, is mikpunt van agressie en haat. Men zondert zich af (of stoot mensen af) en trekt zich terug in de eigen wereld. Op dit moment kunnen we al spreken dat deze moslim lijdt aan radicaliseringsaids.

Aan aids als ziekte sterft men nooit, het zijn de opportunistische infecties die de aidslijder de das omdoet. Onze moslim kan misschien in contact komen met criminelen, met armoede, met discriminatie, met de politie. Dit zijn allemaal aanleidingen, geen oorzaken. Het kan wel de druppel zijn en de laatste immuuncel doden: menselijkheid. Dan vertrekt men naar Syrië, martelt men mensen en gruwelijk executeert deze. De persoon die deze moslim ooit was, is dood.

Wat kan men doen? Zoals bij aids: veilig interageren met mensen. Zoek het besmettingsgevaar niet op, mijdt radicale moskeeën en vrienden. Is men toch besmet? Er zijn HIV-remmers: blijf omgaan met gematigden, blijf tolerant. Anders dan bij echte HIV kan men de klok terugdraaien: verlaat de islam. Oh en het is niet omdat ik hier de islam gebruik als voorbeeld dat dit niet zou gelden voor links- of rechtsextremisme.

Ik ben een beetje afgedwaald. Zonder bovenstaande verklaring is het vergelijken van een heilig boek met een virus haatzaaien. Haatzaaien en het maken van straffe, ongenuanceerde of niet-verklaarde uitspraken zijn twee verschillende dingen. Het feit dat radicalen vaak niet begrepen worden en men makkelijk gechoqueerd deze wilt straffen, maakt het moeilijk. Radicalen mogen vaak niet radicaal zijn en objectieve criteria dienen gedefinieerd worden. Tot nu toe kan niemand dit doen en is haatzaaien geen goede grens.

Wat is dan wel een duidelijke grens tussen radicalisme en extremisme? Voor mij is dit oproepen tot geweld. Dat is een rode lijn die men nooit mag overtreden. Wat in Geldermalsen gebeurde, kan alleen maar veroordeeld worden (wat Wilders spijtig genoeg niet opnieuw wou doen). Wat Filip Dewinter erna deed ("Als politici niet willen luisteren moeten ze helaas, desnoods maar voelen") kan absoluut niet door de beugel. Dat was extremistische praat. Dewinter kan maar beter voorbeeld nemen aan zijn voorzitter en de gouden regel "niet tegen mensen, maar tegen het systeem" volgen. Een radicaal bekritiseert systemen, niet de mensen. Islam maar niet moslims. Politiek-correctheid maar niet politici.

Op sociale media ziet men vaak uitschuivers. Gemoederen geraken verhit, de grens wordt overtreden. Radicalen die het echt menen, zouden dan moeten optreden en zeggen: "Hé dit is erover!". Dit vraagt durf want gelijkgezinden kunnen dan plots tegen de radicaal keren. Dat is de prijs van de radicaal: als tussenpositie tussen extreem en gematigd worden ze uitgespuwd door beide zijden. Het vraagt ook zelfdiscipline, de extremistische neiging kan nooit ontkent worden. Het vraagt wilskracht om die verleiding te weerstaan en zich niet te laten meeslepen door emoties.

Maar wat voor nut hebben radicalen eigenlijk? Het is overduidelijk dat radicalen maar zelden een regering gaan vormen (Syriza is de uitzondering). Het lijkt dan ook een semantische discussie, alleen gematigden zwaaien de plak. Fout. Radicalen verschuiven het raam van Overton. Wat vroeger ondenkbaar was, is door radicalen verschoven naar acceptabel en is uiteindelijk beleid geworden. Homohuwelijk was 50 jaar geleden radicaal, dat is nu normaal. Radicalen effenen het pad voor minder radicalen. N-VA kon niet winnen zonder VB (en dat horen ze echt niet graag).

Radicalen leggen vooral het vuur aan de schenen van het establishment, zwepen deze op als deze hun verkiezingsbeloftes verloochenen. Juist omdat radicalen nooit regeren, kunnen ze dit consequent doen. Ze moeten geen rekening houden aan rotte compromissen, zij kunnen trouw zijn aan hun principes. Gesinnungsethik noemde Weber dit. Niets is irritanter dan een voormalige establishmentspartij die in de oppositie opeens het warme radicale water aan het heruitvinden is. Of een voormalige radicale oppositiepartij die mee aan de tafel zit maar af en toe nog eens wat radicale uitspraken doet zonder ze echt uit te voeren (want gebonden aan regeringsakkoord, Europa, internationale rechtsregels). Beide kunnen dit niet volhouden zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.

De grenzen stellen (en belangrijker, bewaken) wat radicaal en extremistisch is, is voor mij een zeer belangrijke discussie dat nog te weinig gevoerd wordt. Radicalen zijn diegene die op een koord balanceren. Aan de ene zijde verliest men alle rede en menselijkheid en wordt men extremist. Aan de andere zijde verliest men zijn principes en wordt men een even grijze gematigde als de rest. We hebben radicalen nodig die noch het één, noch het andere zijn.

Conclusie

Grenzen stellen en onze wereld in categorieën onderverdelen hoort bij de realiteit en de menselijke natuur. Deze al-veel-te-lange essay heeft dit proberen aan te tonen aan de hand van een paar cases in de actualiteit.

De actualiteit focust zich vaak op pietluttigheden van de waan van de dag. Het grote geheel is zoek. Bij deze probeerde ik dit te overstijgen en wel het grote geheel te detecteren. Grenzen stellen is het credo. Het hoeft niet verwonderlijk te zijn dat dit identiek is aan mijn vorige synthese: de balans zoeken. Die radicale koorddanser van hierboven die op zijn grens, moet die niet constant zijn balans zoeken?
0