Het grootste taboe van de liberale democratie: er is geen vrije wil (2)

In de liberale democratie zijn geen taboes, of zou er geen mogen zijn. De theorie is anders dan de praktijk: er zijn taboes. Maar wat als één zaak taboe is voor iedereen? Dan hebben we een probleem. Zo'n taboe is er over de kern van onze liberale samenleving: de vrije wil. In deze blogreeks betoog ik dat de perceptie van vrije wil door onze samenleving simpelweg fout is.

Inleiding

Het klassiek-liberale mensbeeld is van het individu met een libertaire vrije wil. Dit autonoom individu kan enkel op vrijwillige wijze in relatie gaan met anderen. De enige beperking is het schadeprincipe: je mag anderen geen schade berokkenen want dat zou je zelf ook niet willen (gulden regel). Klassieke liberalen zien vrijheid als non-interventie: de staat en in extremis andere individuen mogen niet interveniëren in het leven van een individu, anders is dat individu niet vrij. Daaruit volgt dat individuen existentieel gezien een geïsoleerd bestaan leiden. Klassiek-liberalen hebben een atomistische visie van de samenleving: de samenleving is simpelweg de som van een aantal individuen of, met de woorden van Thatcher, bestaat simpelweg niet.

Dit is fout. Zoals uitvoering betoogd in de vorige blog is er geen vrije wil en bestaat er ook niet zoiets als een geïsoleerde individu. Er bestaan enkel personen, personen die gevormd zijn door deterministische processen. Deze processen spelen zich intern en extern af. Het maakt niet uit of deze processen leiden tot een deterministische uitkomst (predetermisme) of meerdere uitkomsten die beschreven kunnen worden in probabilistische termen (preprobabilitisme). Mensen hebben een temmende wil, ze kunnen hun impulsen onderdrukken (tot een zekere hoogte dat het hun autonomie als opt-out niet schendt).

Ik heb nog niet in detail uitgelegd wat de wil is, welke deterministische processen de uitkomsten bepalen en hoe dit verhoudt tot bv. seksualiteit.

Liberalisme = christelijk

Dat het liberalisme toch populair is, komt eerder omdat het leuk en intuïtief klinkt, niet omdat het waar is. Het liberalisme heeft met betrekking tot religie het standpunt genomen dat de waarheid boven alles staat. Omdat het bestaan van God niet bewezen kon worden, verwerpt het liberalisme het christendom. Als het gaat om vrije wil, weren liberalen zich als een duivel in een wijwatervat. Wat God is voor christenen, is de vrije wil voor liberalen. Zonder vrije wil is het individu niet autonoom, niet vrij, niet vrijwillig handelend en niet atomistisch (een atoom, iets dat gescheiden kan worden van anderen, een individu dus).

De gelijkenis tussen liberalisme en het christendom is dieper. Het liberalisme gelooft net als het christendom impliciet in een dualistische visie van lichaam en geest, namelijk dat deze twee totaal aparte zaken zijn. Liberalisme als product van de Verlichting ziet de geest als de vijand van het lichaam (zie hoe dit wordt uitgelegd door Jordan B. Peterson).

Vanaf dat lichaam en geest niet gescheiden zijn, sluipt het determinisme binnen en tast het de vrije wil aan. De implicaties ervan is dat de geest van immateriële aard dient te zijn, en dan komen we wel heel dicht bij het concept van een ziel...

Lichaam, geest en socialiteit

Het lichaam-geest probleem is iets dat al lang filosofen bezighoudt. Er zijn twee grote filosofische syndromen die zich recht tegenover elkaar positioneren.

Aan de ene zijde heb je de (metafysische) naturalisten. Zij poneren dat de geest enkel via natuurwetten opereert en er niets anders bestaat dan materie (materialisme) of materie en energie (fysicalisme). Die natuurwetten zijn tijdloos en ruimteloos: zowel in het heden, verleden en de toekomst, hier of daar, kunnen dezelfde natuurwetten toegepast worden (uniformitarisme). Volgens de naturalisten bestaat de realiteit onafhankelijk van de waarneming (realisme/objectivisme) en is het geen mening maar absoluut (absolutisme). Kennis van die realiteit kan wel a posterio (postivisme) gevonden worden door middel van experimenten (methodologisch empirisme) of deductie (methodologisch rationalisme). Naturalisten verwerpen de dualistische visie van lichaam-en-geest en omarmen monisme: er is enkel het lichaam.

Aan de andere zijde heb je de (metafysische) idealisten. Zij poneren dat geest enkel maar een idee is. Zij positioneren dat absolute kennis van de realiteit onzeker is (filosofisch scepticisme), enkel het bestaan van de eigen geest is wat zeker is (Cartesiaans subjectivisme, solipsisme). Er is dus geen absolute kennis van de realiteit maar enkel de relatieve interpretatie ervan door de waarnemer (postmodern relativisme). Geconfronteerd met dit, is kennis enkel gebaseerd op de subjectieve ervaring (epistemologisch empirisme). Idealisten verwerpen de dualistische visie van lichaam-en-geest en omarmen monisme: er is enkel de geest. Spiritualisten geloven dat deze geest kan bestaan als het lichaam dood is.

Wat heeft dit nu met determinisme of libertarisme van de vrije wil te maken? Als we willen weten wat de (vrije) wil is, dan moeten we weten wat "wilt". Is het een lichaam of een geest? Ludwig Wittgenstein geloofde dat o.a. dit filosofisch probleem een vals probleem is dat veroorzaakt werd door een categorische fout in de taal. Hij bedoelde hiermee dat de verkeerde taalcategorie wordt gebruikt door de twee zijden.

In zaken van de geest kunnen de naturalisten gedachten niet verklaren. Ze kunnen breinactiviteit (een fysisch-materialistisch gebeuren) niet vertalen in concrete gedachten (een idealistisch gebeuren). In zaken van realiteit kunnen de idealisten de natuur niet verklaren. Zij kunnen mentale representaties (een idealistisch gebeuren) niet vertalen in concrete gebeurtenissen. Is het echt zo dat iets valt omdat ik denk dat het valt, niet omdat er een externe causaliteit ervoor zorgde dat het viel? Noch naturalisme noch idealisme is dus 100% juist of fout, beide zijn bruikbare posities om zaken te verklaren of te beschrijven.

De communicatiefout ligt in het feit dat naturalisten en idealisten over verschillende soorten realiteiten en feiten dus spreken. Naturalisten spreken voornamelijk over de fysische realiteit of feiten, idealisten spreken vooral over de mentale realiteit of feiten. Wat interessant is dat afhankelijk van de relatieve overwicht van de twee, de ideeën van wat reëel of feitelijk is en wat niet zich verspreiden over andere personen. Realiteit en feit is dan slechts een overeenstemming van wat aangenomen wordt als realiteit of feit tussen mensen door dialoog (en kracht als we de marxisten moeten geloven) (sociaal constructivisme), wat een derde realiteit, de sociale realiteit als collectie van geesten, op zichzelf creëert. Aldus wordt de oude dichotomie een trichotomie tussen lichaam-geest-socialiteit.

Emergentie

In de systeemtheorie is er een fenomeen beschreven dat emergentie genoemd wordt. Emergentie is wat er gebeurt als twee of meerdere objecten die in interactie gaan eigenschappen vertonen die niet gereduceerd kunnen worden tot hun individuele eigenschappen. Een voorbeeld is water. Het is het product van twee gassen, H2 en O2, die een binding vormen. Uit niets van de eigenschappen van deze twee gassen blijkt waarom water, nu ja, water is. Heb je heel veel watermoleculen, dan is afhankelijk van de condities vloeibaar water, ijs of waterdamp een emergente eigenschap.

De geest (en daarbij aansluitend de wil van de geest) is een emergente eigenschap van een groot aandeel van breinstructuren, bestaande uit miljarden neuronen, die in wederzijdse interactie gaan. Die emergente eigenschap kunnen we dan ook niet meer beschrijven op basis van al die interacties maar kunnen we best apart definiëren als een object op zichzelf én een subject. Dit komt omdat de geest zowel een abstract subjectief idee is (omdat het slechts kan observeren en dat niet materieel bestaat) als een objectief concreet ding (omdat het ontegensprekelijk bestaat en dat ontspruit vanaf een bepaalde fysische breincomplexiteit).

Als we de gedachten of de wil van de geest willen beschrijven, hebben we het idealistisch instrumentarium nodig. Als we de causaliteit van de gedachten of wil willen beschrijven, dan hebben we het naturalistisch instrumentarium nodig. Ik kan denk ik niet genoeg herhalen dat de geest niet op zichzelf bestaat maar slechts in relatie met de hersendelen waaruit het ontspringt. De geest is dus niet zelf-causaal. Ergo, de geest is deterministisch bepaald.

Dat we niet alle interacties tussen hersendelen begrijpen, is geen excuus om determinisme te verwerpen. Als ik met een naald in je arm prik en je roept "Au, ik heb pijn!", dan is het voldoende dat ik jouw gedachte correlationeel link met de pijncentra in je brein om te determineren dat er een causale link bestaat tussen de naaldprik, de breinactiviteit en de persoonlijke pijnsensatie. Correlatie is geen causatie maar in deze is het een goede veronderstelling.

Determinisme is enkel gelimiteerd in de kwantificering van de ervaringen van de geest. De geest kan niet objectief gekwantificeerd worden. Als ik in plaats van een naald een mes in je arm steek, kan ik wel de verandering in breinactiviteit kwantificeren maar niet de verandering in pijnsensatie. In die zin is die pijnsensatie solipsistisch: het bestaat enkel in jouw geest.

Metafysica van het denken

Wat bepaalt wat wij denken? In het begin van de 20ste eeuw was het behaviorism populair. Daarbij werd naar gedrag gekeken op een natuurwetenschappelijke wijze. Het radicaal behaviorism van B.F. Skinner ging een stapje verder: ook denken was volgens hem gedrag. Deze visie is in diskrediet geraakt toen het cognitivisme (denken als een soort computerproces zien) opkwam.

Ik ga "denken is gedrag" als een nuttige analogie gebruiken om de causaliteit van het denken uitleggen. Gedrag en denken hebben een sterk gelijkaardige causaliteit. Dit is natuurlijk omdat gedrag simpelweg de uitvoering is van het denken.

De Nederlandse etholoog en Nobelprijswinnaar Nikolas Tinbergen formuleerde in de jaren 60 zijn befaamde "vier vragen" om de oorzaak van gedrag te verklaren. De filosofische equivalent zijn de vier oorzaken van Aristoteles. Tinbergen classificeerde de vier vragen in twee groepen: de proximate/ultimate visie en de statische/dynamische visie. De proximate visie stelt de hoe-vraag (hoe functioneert het gedrag?), de ultimate visie stelt de waarom-vraag (waarom is het gedrag geëvolueerd?). De statistische visie verklaart het gedrag in een specifieke temporele context, de dynamische visie verklaart het gedrag over de tijd.

De hele gedragswetenschappen organiseerde zich rond deze vier vragen. Fysiologen en neurologen focussen op het causale mechanisme (werking) van gedrag (proximaal+statisch), ontwikkelingsbiologen en -psychologen focussen op de ontogenie (individuele ontwikkeling) van gedrag (proximaal+dynamisch), evolutionaire psychologen en gedragsecologen focussen op de fylogenie (evolutionaire ontwikkeling) van gedrag (ultimaat+dynamisch) en de huidige adaptieve functie in het milieu (ecologie) van gedrag (ultimaat+statisch). Die laatste is volgens Aristoteles de finale oorzaak, datgene dat verklaart welk doel iets dient. Al de andere oorzaken bouwen daarop voort: wat geen functie heeft, evolueert niet, ontwikkelt niet en werkt niet.

Oorzaken van sexy

Neem nu een gedragspatroon van een vrouw: ze staat 's morgens op en staat voor haar kleerkast, ze stelt de evidente vraag: "Wat ga ik vandaag dragen?". De vrouw neemt een beslissing: "Ik draag dit kleedje want dan voel ik mij sexy." Maar waarom voelt deze vrouw zich sexy in dat kleedje? Waarom voelt deze vrouw überhaupt de noodzaak om haarzelf sexy te vinden? Wat is dus de metafysica van haar denken?

Je kan verscheidene hypothetische antwoorden formuleren. Een mogelijkheid is dat de vrouw zich sexy kleedde omdat dit haar zelfvertrouwen (ego zouden de psychologen zeggen) boost waardoor de vrouw zich beter in haar vel voelt en dus beter functioneert. Een tweede mogelijkheid is dat de vrouw een knappe mannelijke collega kent en diens aandacht wil trekken om mogelijk seksuele betrekkingen mee te hebben (met een zwangerschap tot gevolg). Een derde mogelijkheid is om vrouwelijke rivalen jaloers te maken en competitie uit te lokken.

Klinkt dit vergezocht? Gad Saad is een evolutionair psycholoog gespecialiseerd in darwinistische consumptiepatronen. Zo vond hij dat vrouwen in de vruchtbare fase van de menstruatiecyclus meer cosmetica kochten dan in hun onvruchtbare fase. Dit is logisch van een darwinistisch oogpunt: omdat de eisprong onzichtbaar is, gaan vrouwen onbewust hun vruchtbaarheid etaleren via hun kledingdracht en make-up. Een andere studie van psychologe Martie Haselton vond ook dat vrouwen zich meer opzichtig kleedden in hun vruchtbare fase ("women dress to impress").

Mijn vrouwelijke Twittervolgers waren furieus toen ik dit voorstelde. Vrouwen kleden zich niet sexy speciaal voor mannen of voor andere vrouwen! Mensplaining! Seksist! Waarom dan wel? Eum, daarom, ze voelt zich dan sexy! Dat is dus een cirkelredenering waarbij sexy-voelen zelf-causaal is. Het is fundamenteel onlogisch, irrationeel en onwetenschappelijk.

Hun boosheid ligt vooral omdat ik de suggestie wek dat vrouwen expliciet die overwegingen maken als ze voor hun kleerkast staan. Nee, bewust denken de meeste vrouwen hier niet aan, of toch alleszins niet in darwinistische termen. Aantrekkingskracht is een zeer basale kracht dat grotendeels onbewust gebeurt. Het feit dat sexy goed voelt, wilt niets anders zeggen dat het vrouwelijk brein de wil kenbaar maakt dat de gemaakte beslissing fitnessverhogend is.

Sexy is sociaal

Mijn vrouwelijke Twittervolgers waren net als de liberalen boos dat ik hun autonomie afnam. Hun beslissingen werden niet individueel genomen. Meer zelfs, de beslissing dat dit specifiek kleedje sexy is en dat andere niet is 100% sociaal bepaald. Een Twittervolger van mij merkte op: als de vrouw alleen was in de wereld, wou zou ze zich dan opmaken? Het antwoord nee, want make-up of sexy kledij veronderstellen een andere observeerder die (ver)oordeelt en een respons geeft.

Naast de genen hebben mensen ook memen ontwikkeld. Memen zijn ideeën die net als genen uitgewisseld worden en evolueren over de tijd. Memen hoppen van de ene geest naar de andere door taal. Memen die zeer goed passen bij de genen kunnen uiteindelijk uitgroeien tot regelrechte breinparasieten (zeker als de memen de expressie van de genen versterken). Een collectie van sterk interagerende memen die gedeeld wordt door een collectie van sterk interagerende geesten noemen we een cultuur. Een cultuur is dus een emergente eigenschap van een aantal memen, net als de socialiteit, gemeenschap dat is voor een aantal geesten. Gemeenschap en cultuur zijn zo sterk verstrengeld dat beide elkaar determineren. Zonder gemeenschap is er geen cultuur, zonder cultuur is er geen gemeenschap.

Veel van onze specifieke gedragingen worden bepaald door de cultuur. Genen spelen hierin slechts een beperkende en mechanistische rol in. Zo kan er nooit een cultuur ontwikkelen waarin ziekelijk obese mensen als sexy worden gezien (wat postmodernen ook mogen beweren), daarvoor is de geëvolueerde viscerale afschuw voor mensen met misvormingen te groot. Cultuur komt tot uiting via de genen en andersom, genen komen tot uiting in de cultuur.

De enorme diversiteit aan culturen hebben nog altijd een gemeenschappelijke wortel in een universele menselijke natuur. Zo zijn sieraden een culturele universalia: of het nu gaat over een armband van botjes in een Afrikaanse stam of een gouden armband in het westen, beiden zijn statussymbolen. Een chique sportwagen of een neusbot is daarentegen een statussymbool dat cultureel specifiek is voor deze of gene samenleving.

Wat een vrouw sexy maakt in haar kledij, is dus zowel een product wat sexy wordt gezien in die cultuur en wat de genen aanziet als functioneel adaptief. Kledij die de vrouwelijke vormen benadrukt en de vruchtbaarheid van de vrouw aanduidt, is kledij dat sexy is. Modeverschijnselen, hoe verscheiden dan ook, appelleren aan die basisregels (correctie: niet alle, maar die zie je vaak vanzelf verdwijnen of alleszins enkel in een select aantal personen). Die basisregels kunnen wel een ontelbaar aantal combinaties vormen (vooral als de regels hiërarchisch worden opgesteld).

Illusie van de vrije wil

Waarom is er een diepgeworteld idee dat we een vrije wil hebben terwijl dit rationeel niet kan onderbouwd worden? Dezelfde vraag kunnen we ook stellen als: waarom omvat de geest niet alle breinprocessen? Ergo, waarom zijn er onbewuste hersenprocessen die impliciet de bewuste geest aansturen?

Dat is makkelijk: als we alle breinprocessen bewust zouden meemaken zouden we (1) psychologisch instabiel worden door een overload aan prikkels, (2) te traag reageren op levensbedreigende situaties en (3) evolutionair functioneel gedrag niet kunnen uitoefenen omdat het niet rationeel te begrijpen is. Dit komt ook door de evolutionaire geschiedenis: de bewuste breinprocessen spelen zich af in de neocortex (cognitie, hogere sociale functies, taal) dat evolutionair jonger is dan de onbewuste breinprocessen in het limbisch systeem (emoties, gedrag, geheugen, motivaties).

Aldus heeft ons brein twee systemen ontwikkelt: systeem 1 en systeem 2. Dit is gepopulariseerd door het boek van gedragseconoom Daniel Kahneman Thinking, Fast and Slow. Systeem 1 zijn snelle, onbewuste, automatische, intuïtieve, vaak voorkomende, heuristische beslissingen. Systeem 2 zijn trage, bewuste, inspannende, logische, berekende en rationele beslissingen. Het onderzoek van Kahneman en anderen legden een bom onder de liberale, economische consensus dat individuen rationele agents zijn die hun beslissingen optimaliseren.

Er is een grote nadruk op de niet-optimale uitkomsten van systeem 1, men ziet biases als gebreken. Evolutionaire psychologen betwisten dit en zien dat deze biases evolueerden omdat ze naar de omstandigheden een functioneel resultaat gaven. De "bounded rationality" mensen kijken in dezelfde richting: beslissingen dienen bevredigend, niet optimaal zijn.

Aldus zijn er enkelen die de rationele vrije wil illusie nog niet kunnen loslaten. Zij kijken naar mitigatie van de biases of zelfs "debiasen" van mensen. Zelfs al zijn mensen bewust van de biases, toch maken ze ze nog. Dat komt omdat systeem 2 systeem 1 niet beïnvloedt.

Olifant en ruiter

De moreel psycholoog Jonathan Haidt visualiseert de relatie tussen ons lichaam en geest als tussen een ruiter en een eigenzinnige olifant. De ruiter denkt dat hij de olifant controleert maar in werkelijkheid heeft hij maar beperkte macht over de eigenzinnige olifant en dat is deels omdat de kleine ruiter bovenop de grote olifant zit en dus afhankelijk is van de olifant. De ruiter heeft wel teugels in handen maar om de olifant te dwingen in de "goede" richting te gaan, is gelimiteerd.

Haidt vond zo dat het credo "eerst denken dan doen" juist omgekeerd is: "eerst doen dan denken". Zo gaf hij een scenario aan respondenten (verkort):
Een broer en zus zijn op vakantie. In een afgelegen hutje beslissen ze dat ze willen experimenteren: seks hebben. Zij neemt de pil en voor de zekerheid gebruikt hij een condoom. Beide vonden het een leuke ervaring. Achteraf zweren ze dat dit hun geheimpje blijft. Deden de broer en zus iets moreel verkeerd?
De olifant in de respondenten zei direct: "dat is incest, dat is moreel verkeerd!". De respondenten reageerden dan ook direct negatief. Wanneer aan de ruiter werd gevraagd om dit te verantwoorden, konden ze niets bedenken. Ze waren dumbfounded, want het verhaal is zo gemaakt dat het post-hoc rationalisaties uitsloot. Er was wederzijdse toestemming, geen getuigen, geen kans op zwangerschap of SOA's en beiden beloofden dat ze het niemand kunnen vertellen. Omdat beide de ervaring leuk vonden, kan zelfs een tweede experiment perfect mogelijk zijn.

Vanuit liberaal oogpunt is er dus geen schade toegebracht en is dat dus moreel volledig ok. Zoals meermaals uitgelegd begrijpen liberalen niet dat zaken als moraliteit evolutionair bepaald zijn en niet ontspringen uit het rationeel denken, zelfs al loopt het evolutionair brein achter in bepaalde culturele ontwikkelingen. Een liberaal die handelt vanuit zijn principes, zal weinig succes oogsten om mensen te overtuigen incest te decriminaliseren. De olifant in de andere mensen (en de liberaal zelf, want zelfs liberalen accepteren het verbod op incest) laat dat gewoon niet toe.

Innerlijke advocaat

Waarom voelen mensen de noodzaak om hun onbewuste intuïties post hoc te verantwoorden? Dit kan enkel verklaard worden met Haidts tweede credo: moreel denken is voor sociaal doen.

De ruiter zit niet alleen op zijn olifant. Naast hem zijn er ook ruiters met hun olifanten. Als de olifant iets doet, moet de ruiter dit verantwoorden aan de andere ruiters. Faalt hij daarin, dan is er een risico dat hij uit de groep ruiters wordt gegooid. Einzelgängers overleefden dit meestal niet.

De ruiter ontpopt zich dan ook in een advocaat-en-politicus-in-één: niet alleen moet de ruiter zich constant verdedigen, hij wilt ook dat hij (of beter gezegd, zijn olifant) de leider van de groep wordt. Goede advocaten en politici erkennen dat niet de ruiters maar de olifanten de baas zijn en slechts de tussenpersoon zijn tussen hem en zijn olifant en de ander zijn olifant. In hun retoriek richten ze zich tot de olifanten eerder dan de ruiters.

Dit strookt natuurlijk niet met de rationalistische notie dat we ons laten overtuigen door goede argumenten. Liberalen geloven daar ook niet impliciet in, veel liberale bedrijfsleiders betalen fors voor advertenties. Die advertenties zijn geen droge opsomming van feiten maar het constant strelen van jouw olifant. Zie je een BV of een aantrekkelijk persoon een product promoten, dan transfer je onbewust hun halo op dat product, ook al is dat totaal irrationeel.

Men kan vraagtekens hierbij stellen. In hoeverre hebben personen de autoriteit om andere personen massaal te beïnvloeden door gebruik/misbruik te maken van hun olifanten? Toen nota bene de liberalen voorstelde om de overheid via nudging ("libertair paternalisme") burgers te beïnvloeden, dan stel ik mij vragen of liberalen nog zelf wel geloven in de vrije wil en hoe liberalen in hun zucht naar non-interventie van de ruiter niet juist anti-liberale interventies in de olifant kunnen legitimeren.

Conclusie

Ik heb ongenadig ingebeukt op de vrije wil. Als je de vorige blog las en nog niet overtuigd was, dan hoop ik dat je dat nu wel bent. De vrije wil is een illusie, het is een emergente eigenschap van een een groot aantal breinprocessen. Die breinprocessen zijn vaak onbewust en genetisch/cultureel bepaald voor lang vervlogen redenen. We denken dat onze geest de ruiter is van onze olifant maar het is eerder andersom. De geest heeft de ondankbare taak achteraf de bewegingen van de olifant te verantwoorden aan andere ruiters.

Confrontatie met de illusie van de vrije wil wekt existentiële angsten op: hoe kan men moreel verantwoordelijk zijn zonder vrije wil? Hoe kan ik meester zijn over mijn toekomst? Hoe kan onze samenleving functioneren zonder vrije wil? Het in vraag stellen van de vrije wil ontketent al die existentiële angsten en leidt tot nihilisme (of dat is de tegenwerping). Dit hoeft niet zo te zijn en dat zal ik uitleggen in een volgende blog.
0