Het boerkinidebat toont de constructiefouten van de liberale democratie aan

Het Interfederaal Gelijkekansencentrum heeft met zijn uitspraak "godsdienstvrijheid staat boven gelijkheid man en vrouw" de furie van de goegemeente op zijn hals gehaald. Nu ontkennen zou leugenachtig zijn, hun daden van voorbije jaren spreken boekdelen. Het IFGKC heeft daarbij de constructiefouten van de liberale democratie blootgelegd. De liberale democratie richt zich nu ten gronde, met alle gevolgen van dien. Met deze blog wil ik proberen een sereen debat op gang te brengen: mag de huidige liberale democratie in vraag worden gesteld?

Godsdienstvrijheid vs. scheiding kerk/staat

De discussie rond het boerkiniverbod in openbare zwembaden draait rond één begrip: godsdienstvrijheid. Ik zal maar eerst de steen in de kikkerpoel werpen: godsdienstvrijheid kan beter afgeschaft worden. In de discussie rond onverdoofd slachten suggereerde Maarten Boudry dit ook al. Godsdienst hoeft geen aparte vrijheid te zijn volgens hem en kan perfect ondergebracht worden onder de paraplu van vrijheid van gedachte en expressie.

Ik vrees dat hierdoor het probleem enkel maar verplaatst gaat worden. Is een boerkini geen "religieuze expressie" die gerespecteerd moet worden? Boudry gaat in zijn eerdere pleidooi in de semantische discussie wat een religie exact is (wat op zich belangrijk is) maar niet wat het inhoudt. Ik wil hierbij zeggen dat binnen elke religie verscheidene interpretaties is. De vraag stelt zich dan: welke interpretatie moet de wetgever respecteren en welke niet?

Godsdienstvrijheid afschaffen gaat juist om die vraag. Als men poneert dat boerkini's discriminatie is van vrouwen, dan is dit doordat men kennis heeft van de islamitische geschriften en men heeft achterhaald waarom vrouwen boerka's moeten dragen:
"O profeet! Zeg aan uw vrouwen en uw dochters en de vrouwen der gelovigen dat zij een gedeelte van haar omslagdoeken over haar (hoofd) laten hangen. Dit is beter, opdat zij mogen worden onderscheiden en niet lastig worden gevallen." ~Hoofdstuk 33 Al-Ahzaab, vers 60
"En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij ook haar ogen neergeslagen houden en hun passies beheersen, en dat zij haar schoonheid niet tonen dan hetgeen ervan zichtbaar moet zijn, en dat zij haar hoofddoeken over haar boezem laten hangen, en dat zij haar schoonheid of haar vader of de vader van haar echtgenoot, of haar zonen of de zonen van haar echtgenoot, of haar broeders, of de zonen van haar broeders, of de zonen van haar zusters of haar vrouwen, of haar slaven, of zulke mannelijke bedienden die geen geslachtsdrang hebben, of de jonge kinderen die van de naaktheid van een vrouw niets afweten." ~Hoofdstuk 24 Amoer, vers 32
Dit laat weinig ruimte voor interpretatie toe: boerka's dienen voor moslima's om zich te onderscheiden van anderen (zeer discriminerend voor niet-moslims), voor veiligheid (dit is een totale leugen), als onderwerping en om mannen niet te bekoren. Hoogstwaarschijnlijk zullen veel moslima's boerka's/hijabs te dragen ofwel omdat ze gedwongen worden ofwel omdat ze dit als een cultureel fenomeen beschouwen, iets dat erbij hoort zonder verder vragen bij te stellen. De ergste zijn de oprechte moslima's die het dragen om hun moslimidentiteit in verf te stellen (zelfs als dit niet gepast is bv. als neutrale ambtenaar). Die laatsten zijn de hardste ontkenners van bovengenoemde verzen (hoofddoek = vrijheid is hun Orwelliaanse leuze).

Voor de overheid en de rechtspraak zijn deze argumenten geenszins van belang. Het is niet aan de overheid om te beslissen wat de religieuze interpretatie van iets is. De overheid is strikt gescheiden van de kerk/moskee en mag zich niet bemoeien met theologie. Als een religieuze praktijk discriminerend blijkt te zijn, moet dit eerst zwart-op-wit bewezen worden door daden, men mag niet refereren naar de religieuze tekst (zoals ik dat wel heb gedaan). Dit wilt dus zeggen dat men hoofddoeken case by case moeten bekeken worden of deze vrijwillig zijn of niet. Een onmogelijke taak en daarom blijven deze misogyne praktijken bestaan in een liberaal land, paradoxaal genoeg.

De eerste constructiefout van de liberale democratie is dus dat godsdienstvrijheid inderdaad boven de gelijkheid van man en vrouw staat, puur omdat de bewijslast ongeldig is door de scheiding van kerk en staat. De liberale democratie kan dus zichzelf niet verdedigen tegen een godsdienst die zijn voortbestaan ondermijnt.

Godsdienstvrijheid vs. neutraliteit

Een tweede pijler van de liberale democratie is de overheidsneutraliteit. De overheid mag geen oordeel vellen van het goede leven, mag geen oordeel vellen over moraliteit en mag zeker geen oordeel vellen over godsdienst. De overheid mag enkel oordelen op basis van rationele feiten, conform de grondwet en de rechtsstaat (omdat er misverstanden bestaan over dit woord: een rechtsstaat is een staat waarin de overheidsmacht beperkt is door het recht).

Het boerkinidebat daagt de overheidsneutraliteit uit. Steevast wordt als excuus gebruikt dat men bv. verbiedt om naakt te zwemmen terwijl dit hoegenaamd niet meer of minder hygiënisch is als zwemmen in een bikini/zwembroek. Een ander voorbeeld is bv. dat vrouwen niet topless mogen zijn, terwijl mannen dat wel mogen. Men poneert hier dat er evengoed irrationele elementen bestaan in onze huidige wetten die een waardeoordeel uiten. De overheid als neutrale instantie begaat hier een fout.

Dit is correct. Er zijn irrationele wetten wiens oorsprong teruggaat tot lang vervlogen tijden. Zedenwetten zoals naaktheid of seksualiteit in het openbaar (of kledingwetten in een zwembad) hebben geen objectieve reden. Ze zijn gegroeid door heersende waarden en normen, ze zijn een gewoonte. Common law of gewoonterecht is in België vaak geëvolueerd tot statutory law of geschreven wetten uitgegeven door de wetgevende macht, vaak al honderd jaar geleden. Liberalen respecteren die wetten niet, gewoontes zijn niet objectief en vaak vrijheidlimiterend of discriminerend. Het gewone volk ligt vaak niet wakker van symbooldossiers zoals vrouwelijke toplessness. Meer zelfs, morrelen aan die gewoontewetten stuit veel mensen tegen de borst en veroorzaakt sociale onrust.

Het wordt nog meer verwarrend: sommige liberale wetten zijn nu aanvaard als gewoonten. Het is een gewoonte dat op het strand of in een zwembad zichzelf niet hoeft te bedekken (tot op een zekere hoogte natuurlijk). De soixante-huitards hebben de katholieke preutsheid bijna volledig kunnen uitbannen uit onze samenleving. Nu wordt deze evolutie in vraag gesteld door immigranten met vreemde culturen en hun gewoonten. Het is hun cultureel-religieuze gewoonte dat vrouwen zich moeten bedekken. De liberaal stelt dat de overheid neutraal moet zijn en beide gewoonten naast elkaar moet laten bestaan, ook al staat deze vreemde gewoonte haaks op de liberale gewoonten, paradoxaal genoeg.

De tweede constructiefout van de liberale democratie is dat deze het gewoonterecht niet erkent. Het gewoonterecht, de basis voor onze normen en waarden, wordt overboord gegooid in naam van de neutraliteit, zelfs als deze gewoonten liberaal zijn. De liberale democratie kan wederom zichzelf niet verdedigen tegen religieuze gewoontes die zijn voortbestaan ondermijnen.

Objectivisme vs. relativisme

Cultuurrelativisten poneren dat alle culturen gelijkwaardig zijn, dat geen enkele beter is als een andere. De islamitische cultuur moet dus co-existeren met de westerse cultuur. De overheid krijgt hier een centrale rol als scheidsrechter die ervoor moet zorgen dat iedereen zijn/haar cultuur mag beleven, waar dan ook, ook in publieke zwembaden. Liberalen breiden dit uit naar individuele vrijheid, want individuen zijn vrij om te leven zoals zij dat willen en dus ook gelijk behandeld te worden. De gelijkwaardigheid van liberalen gaat hand in hand met het cultuurrelativisme. Cultuurrelativisten en liberalen hebben de roots van hun ideologische opvattingen vergeten.

Het cultuurrelativisme is afkomstig van het conservatisme. Relativisme volgens conservatieven vertrok vanuit de notie dat datgene wat moreel goed was of cultureel werkte afhankelijk is van de gemeenschap waar men toebehoorde. Conservatieven waren relativistisch omdat liberalen hun tradities in vraag stelden. Liberalen waren objectivisten, moraal en cultuur kunnen met objectieve, rationele criteria vergeleken worden en daaruit kan men universele wetten gieten (de mensenrechten). Meer zelfs, radicale liberalen durfden absolutistische waardeoordelen maken en liberale mensenrechten superieur beschouwen dan de heersende wetten. Conservatieven staan huiverachtig tegenover dit discours, men kan de maatschappij niet sturen of zaken transfereren van de ene cultuur naar de andere. Men probeerde met relativisme vreemde, liberale wetten uit de maatschappij te houden.

Vandaag zijn de rollen omgedraaid. Conservatieven vertrekken nu vanuit de notie dat onze liberaal-westerse cultuur werkt en dat deze rationeel vergeleken beter is dan andere. Vreemde invloeden worden nog altijd buiten gehouden, zeker de islamitische. Liberalen hebben hun objectivisme overboord gegooid en het relativisme omarmd. Ze staan huiverachtig tegenover een discours dat de liberale cultuur als superieur beschouwt. Gelijkwaardigheid en individuele vrijheid was het credo. Gelijkwaardigheid was zo'n obsessief gebeuren dat het objectief ongelijke zaken zoals de islamitische en de westerse cultuur gelijk willen behandelen, zonder enige kritische reflectie, paradoxaal genoeg een fundament van het liberalisme.

De derde constructiefout van de liberale democratie is dat gelijkwaardigheid afglijdt naar relativisme van een foute vorm. Objectief betere culturen zoals de liberaal-westerse cultuur worden gedwongen op gelijke voet te worden behandeld met objectief slechtere culturen zoals de islamitische. De liberale democratie kan zichzelf niet verdedigen tegen inferieure culturen die zijn voortbestaan ondermijnt (bis).

Democratie vs. rechtstaat

De liberale democratie is eigenlijk een contradictio in terminis. Liberalen staan juist vijandig tegenover de democratie. Liberalen leggen de nadruk op de rechtsstaat, wetten die de democratisch verkozen staat moet inperken. Dit is om de individuele rechten van minderheden te waarborgen, zodat een tirannie van de meerderheid niet kan plaatsvinden. Libertariërs zoals Frank Karsten willen zelfs dat de democratie wordt afgeschaft, men kan de rechtsstaat kan afschaffen zolang men een meerderheid heeft.

Liberalen kunnen in extremis minoristen worden, ze protesteren tegen de democratische besluitvorming dat minderheden onderdrukt. Voor vrijheid en gelijkheid willen ze de rechtstaat alsmaar meer uitbreiden en diezelfde democratie alsmaar meer uithollen. Minderheden krijgen meer rechten, rechten die volgens de liberale traditie als trumpcards gebruikt kunnen worden om privileges af te dwingen (bv. boerkini's in publieke zwembaden). De tirannie van de meerderheid wordt vervangen door een gouvernement de juges die altijd aan de kant van de minderheden staat.

Liberalen staan lijnrecht tegenover populisten (in niet-pejoratieve betekenis) zoals Bart De Wever die vertolken wat de meerderheid van het volk wilt. De Wever ziet de democratie als een instrument om wetten en rechten aan te passen die niet meer te verantwoorden zijn in het huidig kader (bv. Conventie van Genève). Liberalen hanteren een rigide wereldbeeld, eentje van verworven vrijheden, conservatieve reflexen en in-steen-gebeitelde wetten. In contrast is er Bart De Wever's voortschrijdend inzicht, zijn progressivisme, de grondgedachte van het liberalisme voordat het mainstream werd, paradoxaal genoeg.

De vierde constructiefout van de liberale democratie is de nadruk op het aspect van de liberale rechtstaat ten koste van de democratie. Meer en meer dicteert een (islamitische) minderheid wat de meerderheid moet ondergaan. Zij gebruiken hier rechten die daarvoor niet gemaakt zijn, godsdienstvrijheid was helemaal niet bedoeld om de gelijkheid van man en vrouw aan te tasten. De liberale democratie kan zichzelf niet verdedigen tegen de rechtsstaat die zijn voortbestaan ondermijnt (bis bis).

Conclusie

Met de laatste paragraaf maakte ik mooi de brug met de eerste. Het is duidelijk dat de constructiefouten van de liberale democratie verbonden zijn. Momenteel zitten we in een rollercoaster van een negatieve spiraal die de westerse maatschappij ten gronde richt. Het boerkinidebat is niet het eerste en het laatste die stelselmatig onze liberale democratie uitholt.

De uitweg zal niet makkelijk zijn. Dit vraagt een radicale paradigmashift over hoe we de liberale democratie opvatten. Het moet wel mogelijk zijn om überhaupt verworvenheden in vraag te kunnen stellen. Vlaanderen kent zo'n opendebatcultuur en outside-the-box-thinking (nog) niet. Bij deze het startschot voor een hoogstnoodzakelijke discussie.
0